Nooit te oud voor psychotherapie: ‘Positieve mensen leven langer’
Sinds de coronacrisis krijgen mentale problemen eindelijk de aandacht die ze verdienen. Toch blijft het voor velen moeilijk om psychische klachten te (h)erkennen en hulp te zoeken. “Op latere leeftijd uiten die zich bovendien vaak anders, waardoor ze langer onder de radar blijven”, zegt ouderenpsychiater prof. Mathieu Vandenbulcke.
Oudere volwassenen en hun omgeving zijn een vergeten groep bij wie psychisch leed veelal over het hoofd wordt gezien, door zichzelf maar ook door naasten en zorgverleners. Want ook in de opleidingen wordt er nog steeds weinig aandacht besteed aan de specifieke klachten van ouderen. “Zelfs de wetenschap gaat eraan voorbij: minder dan één procent (!) van alle onderzoeken naar psychische problemen focust zich op ouderen”, weet professor Mathieu Vandenbulcke van UZ Leuven. Nochtans is dit geen zeldzaam fenomeen: maar liefst één op zes 65-plussers kampt met psychische klachten en bij één op de tien is er sprake van een psychische stoornis. Toch vindt minder dan twintig procent toegang tot de hulpverlening en meestal gebeurt dat dan nog laattijdig.
Met welke mentale problemen worstelen 60-plussers zoal?
“Depressie en angsten komen het vaakst voor, maar ook nervositeit, overmatig piekeren, somberheid, verlies aan interesse en motivatie in het leven. Daarnaast zien we ook psychotische problemen zoals hallucinaties en gedragsveranderingen, en middelenmisbruik. Sommigen grijpen te veel naar alcohol of zijn afhankelijk geworden van kalmeer- of slaapmiddelen. In grote lijnen stemt dit overeen met wat we bij jongere volwassenen vaststellen, maar het grote verschil schuilt erin dat klachten zich anders kunnen manifesteren.
Hoe anders uiten psychische problemen zich dan?
Klachten klinken vager, zoals ‘ik voel me niet goed’ of ‘ik ben nerveus’, terwijl onderliggende emoties zoals angst of verdriet veel minder expliciet aan bod komen. Zeker bij depressie is er nogal eens sprake van een gemaskeerde manifestatie, waarbij mensen eerder last hebben van onverklaarde hoofdpijn of aanslepende buikpijn. Ook gedragsveranderingen zoals zich minder goed verzorgen, zich meer isoleren of vluchten in wat meer alcoholgebruik, kunnen zo’n atypische signalen zijn.
Met ouder worden duikt ook angst voor het toekomstige lot van de wereld meer op. Senioren vrezen vooral voor wat dit allemaal zal betekenen voor hun nageslacht en zijn veel minder gericht op zichzelf.
Opvallend is dat mensen op latere leeftijd gemiddeld minder worstelen met depressie en angst dan jongeren. Hoe komt dat?
“Die cijfers liggen inderdaad wat lager dankzij verschillende fenomenen. Veerkracht neemt toe naarmate je ouder wordt en doorgaans vermindert ook het stressniveau. Het zogeheten positiviteitseffect sluipt vaak ongemerkt binnen: negatieve gedachten en nare herinneringen vervagen, terwijl de aandacht zich steeds meer richt op het positieve in de familie, bij vrienden en in de directe omgeving. Dat zorgt doorgaans voor een meer mildere blik op de wereld. Het leven heeft hen vaak geleerd dat ze de dingen waar ze zich vroeger zorgen over maakten, best kunnen relativeren. Ook doodsangst neemt bij de meesten net af, zeker bij mensen die het gevoel hebben van zelfverwezenlijking. Eigenlijk is het leven één lange blootstelling aan angsten.
Op mentaal vlak heeft veroudering dus ook positieve kanten. Somberheid hoort daar niet vanzelfsprekend bij – een belangrijke reden om psychische klachten duidelijk te onderscheiden van het normale verouderingsproces. Een positieve kijk op ouder worden bevordert niet alleen het psychologisch welzijn, maar ook de algemene gezondheid. Mensen met zo’n houding leven zelfs aantoonbaar langer, onder meer doordat dit werkt als een self-fulfilling prophecy. Vandaar het enorme belang van positieve beeldvorming en rolmodellen die kunnen inspireren.
Ga je anders om met angst, verdriet en eenzaamheid naarmate je ouder wordt?
“Naarmate mensen ouder worden, internaliseren ze hun emoties vaker. Maar wat me opvalt, is dat ze wél hun hart kunnen luchten als je zelf het gesprek opent. De terughoudendheid hangt ook nauw samen met hun vrees om een last te worden van hun familie. De nadruk op autonomie en de angst die te verliezen, leeft heel sterk in onze cultuur, maar precies die drang naar zelfredzaamheid verhindert mensen vaak om hulp te vragen. Wanneer men erin slaagt om die onafhankelijkheidsillusie los te laten, wordt dat een stuk makkelijker en kan hulp aanvaarden net maken dat je veel langer die zelfstandigheid behoudt.
Waarom is het op latere leeftijd vaak lastiger om te praten over je mentale problemen?
“Bij een aanzienlijk deel van de 50 en 60-plussers heeft die kentering al plaatsgevonden, zo blijkt uit onderzoek. Het blijft vooral bij de oudste generaties een heikel gespreksthema door het stigma dat eraan kleeft. Ze associëren het nog sterk met ‘gek of gestoord zijn’ en daar herkennen ze zich niet in. Een tweede reden is dat zij psychische problemen zien als een bron van zwakte en iets dat ze vooral zelf moeten oplossen. Dit is trouwens ook de meest gemelde reden waarom mensen met mentale klachten geen hulp vragen.
Hoe herken je als partner of kind dat er mentaal wat schort en hoe reageer je daar best op?
Je moet zowel letten op (a)specifieke klachten zoals zich herhaaldelijk niet goed voelen als op veranderd gedrag, bijvoorbeeld zich terugtrekken of meer drinken. Laat zulke signalen een startpunt zijn voor een gesprek en stel open vragen. Belangrijk hierbij is dat je de klachten niet minimaliseert. Zinnen zoals ‘ik voel me ook wel eens alleen of ik vergeet ook vaak iets’, snoeren de ander net meer de mond.
Een grote valkuil is om meteen met concrete oplossingen te komen aandraven. Dat gebeurt heel vaak met de beste bedoelingen, maar het werkt averechts. Vaak hebben ze zelf over die oplossingen al nagedacht en door zo’n reactie zullen ze hun psychische problemen in de toekomst nog minder ter sprake brengen. Waar ze vooral nood aan hebben, is een luisterend oor, een klankbord. Kortom, erkenning van hun leed.
Getuigenissen

Carine (61): ‘Na de breuk met mijn dochter ging ik kapot van verdriet’
“Depressie, angst, eenzaamheid en rouw – het ligt allemaal op mijn bord. Maar hulp vinden is allesbehalve evident. Toen ik uiteindelijk de stap naar een psycholoog zette, bleek de wachttijd acht maanden”, vertelt Carine.
Voor Carine is het niet de eerste keer dat ze zich uit een diep dal moet vechten. “Zolang ik me kan herinneren, was mijn moeder bang voor mijn vader, die haar mishandelde. Ik probeerde haar te beschermen door letterlijk tussen hen in te gaan staan. Maar als kind sta je machteloos. Toen ik op mijn negentiende het huis verliet, droeg ik al een zware rugzak vol ervaringen met me mee.
23 jaar later, tijdens de zwangerschap van mijn enige kind, werd de grond onder mijn voeten weggeslagen toen mijn partner het vaderschap afwees. Plots stond ik er alleen voor. Mijn moeder was inmiddels overleden en met de meeste andere familieleden had ik het contact verbroken. Ik belandde in een diepe depressie, maar voor mijn kind vond ik de kracht om weer op te veren. Toen zes jaar later bleek dat mijn dochter een mentale beperking had en extra zorg nodig had, voelde dat als een nieuwe klap. Mijn hele leven richtte ik sindsdien volledig op haar behoeften.
Het waren zware jaren, maar tegelijkertijd was ik gelukkig met mijn kleine gezin. Tijdens de puberteit veranderde haar gedrag en stemming drastisch. In de week verbleef ze in een orthopedagogisch centrum, en in het weekend was ze thuis. Tot ze op haar achttien besloot elk contact met mij te verbreken. Na de breuk voelde ik hoe het verdriet me langzaam sloopte, gevolgd door golven van woede, angst en een allesoverheersende eenzaamheid.
Intussen probeer ik mijn eigen leven weer op te bouwen. Dat is niet eenvoudig, want alles om me heen herinnert me aan haar. Ik vind troost in kleine dingen, zoals de zorg voor mijn hondjes. Ik heb ze alle vier uit het asiel gehaald, en zij redden mij nu op hun beurt.
Antidepressiva zorgen ervoor dat je anders met je emoties omgaat en maken je wat onverschilliger, maar ze helpen niet bij het verwerken van het verdriet. Dat doe ik vooral door te werken. Dankzij mijn baan hoef ik er niet constant aan te denken.
Openlijk praten over mijn emotionele moeilijkheden vond ik nooit moeilijk, maar ik mis wel zielsverwanten die echt begrijpen wat ik doormaak. Voor veel mensen blijkt luisteren zonder meteen over zichzelf te beginnen een grote uitdaging. Toch worstelt bijna iedereen met een innerlijke strijd. Als we het taboe daarrond konden doorbreken, zou dat al een enorm verschil maken.”
Lees ook | Mijn verhaal: ‘Ik heb geen familie meer’

Ilse (55): “Ik was als de prinses op de erwt”
Het gevoel ‘anders te zijn’ vergezelde Ilse van in haar jeugd. Daardoor worstelde ze met minderwaardigheidsgevoelens en eenzaamheid. Pas na een zware burn-out en een diagnose van CVS ontdekte ze de oorzaak achter al die klachten.
“Toen ik zestien was, toeterde iedereen ‘dit is de mooiste tijd van je leven’, terwijl dat voor mij vooral een zwaarmoedige tijd was. Ik was helemaal niet assertief en tegelijk heel open over mezelf, wat achteraf nogal eens tegen mij werd gebruikt. Vaak voelde ik me buitengesloten. Liefdesverdriet sneed bij mij bijvoorbeeld veel dieper dan bij leeftijdsgenoten. Ik was als ‘de prinses op de erwt’, zoals mijn moeder het omschreef.
Ik volgde de maatschappelijke verwachtingen: trouwen, een huis, een kindje en een veeleisende baan. Ik had geen tijd meer om me ongelukkig te voelen. Op mijn werk ging ik meteen heel zwaar over mijn grenzen want ik was zowel perfectionistisch als iemand met een heel groot verantwoordelijkheidsgevoel. Zelfs als ik fysiek ziek was, bleef ik doorhollen in die ratrace. Ik ben daarin veel te ver gegaan, besef ik achteraf. Eigenlijk heeft mijn eigen wilskracht mij de das omgedaan.
Want na enkele jaren gleed ik uiteindelijk weg in een burn-out en ontwikkelde ik CVS (chronisch vermoeidheidssyndroom). Na drie maanden op een psychiatrische afdeling kreeg ik te horen dat ze daar ook niet wisten wat ze met mij moesten doen! De moed zonk mij nog meer in de schoenen. Na een jaar dagtherapie was de situatie zo verergerd dat ik nog amper kon autorijden, koken of stappen. Zes jaar lang beperkte mijn wereld zich tot de afstand die ik aflegde tussen mijn zetel en mijn bed.
De ommekeer kwam er nadat een bevriend therapeut opmerkte dat ik nogal gevoelig was. Dat triggerde iets bij mij en thuis ben ik volop gaan zoeken tot ik op het boek van de Amerikaanse psychologe Elaine Aron over hoogsensitiviteit botste. Dat lezen was een pure aha-erlebnis. Zij bood een verklaring voor mijn klachten en moeilijkheden. Alsof de puzzelstukken eindelijk op hun plaats vielen. Die erkenning en het besef dat ik hiermee niet alleen stond, hebben voor mij meer betekend dan alle therapieën samen. Mijn zelfvertrouwen keerde terug en stap voor stap ben ik weer rechtgekrabbeld.
Sinds ik het weet, pak ik mijn leven anders aan. Het belangrijkste vertrekpunt hierbij is zelfkennis. Ik weet nu wat mijn noden zijn en pas me daaraan aan in plaats van me te spiegelen aan wat anderen allemaal kunnen. Dat is nodig want een van de sleutelkenmerken bij hoogsensitiviteit is dat ik informatie en indrukken op een heel diepgaande manier verwerk, wat veel tijd en energie vergt. Een gevolg daarvan is vaak overprikkeling, net als een sterk empathisch vermogen. Intussen ken ik mijn rode vlaggen en plan ik mijn ‘instortmomenten’ in. Als ik te sterk over mijn grenzen ga, trek ik me een paar dagen terug.
Ik ben me steeds meer gaan verdiepen in hoogsensitiviteit. Zo richtte ik hierover eerst een website en vervolgens een vereniging op. Op die manier kon ik gelijkgestemden helpen en mezelf weer een plek geven in de maatschappij. Dat ik me op die positieve rol kon focussen in plaats van op mijn klachten, lag ook mee aan de basis van mijn eigen redding.
Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier